De beste trainingsoefeningen voor verdedigend voetbal bij amateurteams
Slecht verdedigen ziet er op zondag uit als pech: net te laat, net een verkeerde stuit, net die ene speler die doorloopt. Bijna altijd zit er iets structureels onder. Het blok staat te ver uit elkaar, of iedereen gaat tegelijk naar de bal en niemand dekt de ruimte erachter. Deze zes oefeningen trainen dat, en geen van alle vraagt dat je spelers sneller worden.
De beste oefeningen voor verdedigend voetbal bij amateurteams zijn druk op de bal met dekking erachter, het blok laten meeschuiven, samen drukzetten op een teken, de zestien verdedigen bij een voorzet, terugzakken na balverlies en het duel vertragen op de laatste man.
De rode draad: verdedigen is een teamactie, geen optelsom van duels. Vijf van de zes oefeningen gaan dan ook over waar de anderen staan, niet over wie de bal afpakt.
Wat is goed verdedigen op amateurniveau?
Goed verdedigen is bij een amateurteam vooral: weinig ruimte weggeven en samen bewegen. Het gaat niet om agressieve tackles of om een keeper die alles pakt. Het gaat erom dat de tegenstander de bal wel mag hebben, maar nergens naartoe kan.
Dat is goed nieuws, want compactheid is trainbaar zonder dat er iemand sneller van hoeft te worden. Een team dat vijftien meter tussen de linies houdt en samen opschuift, geeft minder kansen weg dan een sneller team dat uit elkaar staat. Dat verschil zit in afspraken en herhaling.
Wat je wél moet accepteren: verdedigen is saaier om te trainen dan aanvallen. Spelers vinden het minder leuk en het effect is minder zichtbaar. Daarom werken korte, duidelijke vormen met een telbare uitkomst beter dan lange uitleg.
De 6 oefeningen
Elke oefening staat hieronder met een veldtekening, de opstelling, de stappen en het punt waar je als trainer op moet letten. De tekeningen gebruiken deze symbolen:
Druk op de bal, dekking erachter
De basis van elk duel: één man gaat naar de bal, de tweede staat schuin achter hem in plaats van ernaast.
- Twee aanvallers proberen de bal over de achterlijn van het vak te dribbelen.
- Verdediger 1 gaat naar de baldrager en dwingt hem naar één kant.
- Verdediger 2 zakt schuin achter verdediger 1, op ongeveer vijf meter.
- Wordt er gepasst, dan wisselen de rollen: de dekkende verdediger wordt de drukzetter.
Waar je op let: de hoek van de tweede verdediger. Staat hij ernaast, dan speelt de aanvaller er met één pass langs allebei. Staat hij schuin erachter, dan wint hij de bal na de pass. Dit is de meest gemaakte fout in het amateurvoetbal.
Het blok schuift mee
Met vier man tegelijk opschuiven, zodat er geen gaten tussen de verdedigers ontstaan.
- Vier aanvallers spelen de bal rond op de rand van de eigen helft, zonder te dribbelen.
- De vier verdedigers staan op één lijn en schuiven mee met de bal.
- De verdediger het dichtst bij de bal stapt uit; de andere drie schuiven in zijn richting.
- De trainer fluit af zodra er een gat groter dan tien meter tussen twee verdedigers valt.
Waar je op let: dat ze naar de bal schuiven en niet naar hun eigen tegenstander. Amateurteams verdedigen man-op-man en trekken zo hun eigen linie uit elkaar. Het blok verdedigt de ruimte, niet de persoon.
Drukmoment op het teken
Samen beslissen wanneer je erop gaat, in plaats van dat één speler alleen uitstapt.
- Zes aanvallers spelen de bal rond, vijf verdedigers staan compact in een blok.
- Zolang de bal centraal is, zakt het blok en wacht het af.
- Zodra de bal naar een buitenspeler gaat, gaat het hele blok samen druk zetten.
- De verdedigers scoren een punt als ze binnen zes seconden de bal veroveren.
Waar je op let: dat ze samen vertrekken. Eén speler die alleen uitstapt, laat een gat achter waar de tegenstander doorheen speelt. Spreek af wie het teken geeft, meestal de spits of de aanvoerder.
De zestien verdedigen bij een voorzet
De drie gevaarlijke plekken bezetten voordat de bal er is, in plaats van achter de spits aan te lopen.
- De voorzetter geeft vanaf de zijkant voor, met wisselende hoogte en snelheid.
- Verdediger 1 dekt de eerste paal, verdediger 2 de penaltystip, verdediger 3 de tweede paal.
- Verdediger 4 staat op de rand van de zestien voor de teruggetrokken bal.
- Iedereen kijkt schuin, zodat hij bal én tegenstander in beeld houdt.
Waar je op let: de lichaamshouding. Wie recht naar de bal kijkt, verliest zijn tegenstander uit het oog en wordt in de rug gelopen. Schuin staan is het hele verschil, en het kost geen conditie.
Terugzakken na balverlies
De eerste vijf seconden na balverlies gebruiken om de ruimte achter de verdediging dicht te lopen.
- Ploeg A valt aan op het grote doel, ploeg B verdedigt.
- Verliest ploeg A de bal, dan moet iedereen binnen vijf seconden achter de bal staan.
- De trainer telt hardop af, zodat spelers de tijdsdruk voelen.
- Lukt het niet, dan krijgt ploeg B een vrije aanval op het lege doel.
Waar je op let: de looprichting, niet de loopsnelheid. Wie recht naar zijn tegenstander sprint, laat de as van het veld open. Eerst naar binnen en naar achteren, daarna pas naar de man.
Eén tegen één op de laatste man
Het duel vertragen in plaats van winnen, zodat er hulp kan komen.
- De aanvaller start centraal met de bal, de verdediger komt hem tegemoet.
- De verdediger stuurt hem met zijn lichaamshouding naar de zijkant, weg van het doel.
- Hij gaat niet in de tackle, maar houdt afstand van ongeveer twee meter.
- Na drie seconden komt een tweede verdediger bij; samen sluiten ze het duel af.
Waar je op let: dat de verdediger niet duikt. Een gewonnen tackle is mooi, maar een gemiste tackle is een doelpunt. Op amateurniveau levert vertragen aantoonbaar meer op dan aanvallen.
Hoe bouw je hier een training van?
Begin klein en maak het per week groter. Oefening 1 en 6 zijn duels met twee tot vier spelers, oefening 2 en 3 werken met het hele blok, en 4 en 5 zitten al dicht tegen een wedstrijdsituatie aan. Die volgorde is niet toevallig: een team dat het duel niet beheerst, heeft niets aan een blokoefening.
Een opzet die werkt: doe twee weken lang oefening 1 als vast onderdeel na de warming-up, tot schuin dekken vanzelf gaat. Voeg daarna oefening 2 toe. Pas in week vier ga je naar de partijvormen, waarin je dezelfde afspraken laat gelden. Zo bouwt het op in plaats van dat je elke week iets nieuws probeert.
Houd het kort. Twintig minuten gerichte verdedigingstraining per week is genoeg, mits je het maanden volhoudt.
Welke fouten maken amateurteams hierin?
Naast elkaar dekken in plaats van erachter. Twee verdedigers op één lijn zijn met één pass uitgespeeld. Dit is de meest voorkomende en tegelijk de makkelijkst te repareren fout; oefening 1 gaat er volledig over.
Alleen uitstappen. Eén speler die op eigen houtje druk zet, laat een gat achter waar de bal doorheen gaat. Drukzetten is een teamactie met een afgesproken teken.
Achter de man aan lopen na balverlies. De reflex is om je directe tegenstander op te zoeken. Het effect is dat de as van het veld openligt. Eerst naar binnen, dan naar de man.
Te vroeg in de tackle. Op amateurniveau levert vertragen meer op dan grijpen. Een gemiste tackle is bijna altijd een grote kans tegen, en dat weegt niet op tegen de keren dat hij wel lukt.
Veelgestelde vragen
Moet je man-op-man of zone verdedigen bij een amateurteam?
Zone, in bijna alle gevallen. Man-op-man vraagt dat elke verdediger zijn duel wint, en dat is op amateurniveau een gok. Zonedekking vraagt dat vier man samen schuiven, wat je kunt trainen zonder dat er iemand sneller van hoeft te worden. De oefeningen hierboven gaan daarom allemaal over samen bewegen.
Hoe voorkom je dat je team te ver uit elkaar staat?
Spreek een maximale afstand af tussen de linies, bijvoorbeeld vijftien meter, en laat de trainer fluiten zodra die overschreden wordt. Dat klinkt kinderachtig maar werkt beter dan roepen om compactheid, omdat spelers zelf niet zien hoever ze uit elkaar staan.
Hoeveel spelers heb je hiervoor nodig?
De duel-oefeningen werken vanaf vier spelers, de blokvormen vanaf acht en de partijvormen vanaf tien. Kom je met minder, maak dan het veld smaller in plaats van de oefening te schrappen; verdedigen op een smal veld is zelfs leerzamer.
Werkt dit ook zonder een vaste selectie?
Ja, maar dan wegen afspraken zwaarder dan patronen. Als er elke week andere spelers staan, kies dan twee regels die altijd gelden, bijvoorbeeld schuin achter elkaar dekken en samen drukzetten op een teken. Dat onthoudt iedereen, ook wie er drie weken niet was.
Hoe meet je of je verdediging beter wordt?
Niet aan het aantal tegendoelpunten, want dat schommelt te hard per wedstrijd. Tel liever hoe vaak de tegenstander in je zestien komt, of hoeveel schoten je toestaat. Na vijf wedstrijden zie je daar een lijn in. Houd het per wedstrijd bij naast je opstelling, dan heb je aan het eind van het seizoen iets om op terug te kijken.
Weet op dinsdag wie er komt trainen
Verdedigen train je met het hele blok, dus je moet weten of je er elf hebt. Vraag aanwezigheid uit met één tik en zet de opstelling er meteen bij.
Maak gratis een team aanGratis, ook de opstellingen en statistieken.